
indien gewenst waterpas
Een dekvloer wordt op de draagvloer, die het draagvermogen van de constructie levert, aangebracht om:
1. de gewenste hoogte te bereiken. Die wordt uit praktische en financiële redenen veelal niet direct met de draagvloer gerealiseerd
2. als ondergrond voor een later aan te brengen vloerafwerking te fungeren
3. dienst te doen als vloerafwerking
Bij scheurgevoelige ondergronden kan worden gekozen voor een niet hechtende gietdekvloer. Deze wordt dan losgehouden van de draagvloer en van de wanden door middel van een scheidingslaag zoals bijvoorbeeld folie en kantstroken.
Wanneer de vloerconstructie akoestisch of warmte-isolerend moet zijn, is een zwevende gietdekvloer de meest voor de hand liggende keuze. Deze wordt aangebracht op een isolatielaag die op de draagvloer is geplaatst. Omdat niet de dikte maar de toeslagmaterialen de kracht bepalen, kan met een relatief dunne gietdekvloer voldoende sterkte worden bereikt.

Met inachtneming van de juiste droogtijd kan de gietdekvloer van vrijwel elke gewenste afwerklaag worden voorzien. Parket, laminaat, marmoleum, tapijt, tegels, siergrind etc. kunnen probleemloos worden aangebracht. Wel is het zaak om de droge vloer eerst te schuren om eventuele oneffenheden en bouwvuil weg te werken en vol verlijmen mogelijk te maken. Tijdens het drogingsproces is het namelijk niet uitgesloten dat de gietdekvloer een losliggend sinaasappelhuidje krijgt.
Wordt dat niet verwijderd, dan komt de afwerkingslaag op een losse ondergrond te liggen.





